CD’s

1. LA MOURISQUE
2. RONDO
3. LA DELAÏSSADO
4. CONCERTO PER ARCHI
5. BEIM SCHLAFENGEHEN
6-12. ROMANIAN FOLK DANCES
13. THE SOUND OF MILLER
14. DEAR FROG
15. RECUERDOS DE LA ALHAMBRA
16. PIAZZO LATINA
17. GRANADA
18. FOR ALWAYS
19. CZARDAS

Pushing The Limits – The Show

10 jaar BB is een tijdspanne waarop het ensemble, anno 2014, met nederige trots en fierheid kan terug blikken en waarin talloze mooie en onvergetelijke projecten werden gerealiseerd.
Door de interesse en appreciatie van organisatoren en publiek in binnen- en buitenland en dank zij de belangrijke ondersteuning van onze sponsors en onze educatieve projecten oa. ‘Yamaha Educational Days’ en de ‘International Belgian Brass Academy’, mag Belgian Brass zich rekenen bij de top van de internationaal gerenommeerde ensembles.
Met een indrukwekkende lijst van concerten en diverse programma’s is BB uitgegroeid tot een cultureel ambassadeur van de Belgische koperblazers. De artistieke voldoening van 10 jaar BB geeft ons de inspiratie en energie voor het volgende decennium.
Wij hebben dus het genoegen om één van onze meest geliefde programma’s bij het publiek, ‘PUSHING THE LIMITS – THE SHOW’, integraal in CD-vorm aan u voor te stellen.

Entrata Imperiale – Early Music for Brass and Bells

De aanzet tot deze CD was de inspeling – samen met Belgian Brass – van de gerestaureerde Brugse beiaard op 12 juni 2010. De twee koralen van Johann Sebastian Bach (1685-1750) op deze CD herinneren aan dit concert.

Koperblazers waren actief in alle historische steden. Ook Brugge had sinds de 14de eeuw eigen speellieden (“trompers” en “pipers”) in dienst. Bij grote feestelijkheden werd hun aantal uitgebreid tot blazersgroepen van meer dan 20 musici. Intrada’s zoals deze van Girolamo Fantini (1600-1675) zullen zeker ook in Brugge geklonken hebben. De stadsmusici hadden vele contacten met hun collega’s in andere steden. Zo volgde Joris De Vinck (in dienst in Brugge van 1528 tot 1543) Tielman Susato (1510/15- ca 1570) op in diezelfde functie in Antwerpen. Hij zal dus bekend geweest zijn met de Dansereyen. Enkele van de meer dan honderd dansen uit Terpsichore (1612) van Michaël Praetorius (1571-1621) staan nauwelijks een paar jaren later genoteerd in een versteekboek voor het automatisch klokkenspel van de St.-Niklaaskerk te Brussel. Ook de danssuites van Claude Gervaise (1540-1560) en de Sarabande van Johann Christoph Pezel (1639-1694) circuleerden doorheen Europa. Uiteraard heeft de overweldigend feestelijke muziek uit Dardanus van Jean Philippe Rameau (1683- 1764) geen band met de stadsmuziek: hier schittert de virtuositeit van Belgian Brass.

1. THE DANDI MARCH: THE GREAT PROCESSION

2. THE DANDI MARCH: AT DANDI

3. THE WISDOM OF THE PLAYING KOALA’S

4. IO: AGITATO

5. IO: MISTERIOSO

6. IO: FEROCE

7. TRE SKIZZE: SFERE

8. TRE SKIZZE: FUGATO E CHORALE

9. TRE SKIZZE: CANZONA

From IO to Dandi

Na het succes van ‘Pushing the Limits’ en ‘Russian Heritage’, kwam het idee al zeer snel om een nieuwe CD te maken. Ditmaal werd gekozen om het ensemble te belichten vanuit een totaal andere invalshoek. Geen arrangementen van bestaande symfonische muziek, maar gloednieuwe, originele composities voor kopers en percussie… Temeer omdat Vlaanderen meer dan rijk is aan zeer talentrijke hedendaagse componisten, vonden we dus het moment aangebroken om ook hen in combinatie met Belgian Brass, terecht in de kijker te zetten. Belgian Brass is van bij de oprichting, in 2004, steeds een ensemble geweest, dat voortdurend op zoek is gegaan naar nieuwe muzikale uitdagingen. Een soort grensverleggend proces, dat in zijn evolutie niet meer te stoppen valt… Daarom werd aan elk van de componisten gevraagd om hun fantasie vooral de vrije loop te laten. Zij kenden allen reeds lang het ensemble, en wisten dus ook hoe ver ze in deze uitdaging konden gaan. Het mag gezegd, deze opdracht hebben ze met succes volbracht en het resultaat is dan ook verbluffend. Meer nog, door de compositorisch zeer uiteenlopende schrijfstijlen, hebben we met “From IO to Dandi…” weer een stapje verder gezet in het grensverleggend hedendaags repertoire…

The Dandi March - Dirk Brossé

De Dandi March was een act van vreedzaam protest tegen de Britse zout taks in koloniaal India. Deze ‘Walk for Peace, Justice and Freedom’ betekende voor het Indische volk het begin van de onafhankelijkheid van het Britse Rijk. Gekleed in een enkele witkatoenen doeken en sandalen aan zijn voeten, begint op 12 maart 1930 een tengere 60-jarige Indiër een mars van 370 kilometer naar Dandi, Gujarat, een kustplaatsje aan de Arabische Zee. Het doel is om daar zout uit de zee te winnen en zo de Britse wet te overtreden die Indiërs verbied dit te doen. Achtenzeventig medestanders vergezellen Gandhi. De belangstelling voor de mars is enorm. De 4 districten en 48 dorpen en nederzettingen die zij passeren zijn versierd in India’s nationale kleuren. Omstanders knielen voor de stoet. Een paar keer per dag spreken Gandhi en anderen de menigte toe. Steeds meer mensen sluiten zich aan. Na vierentwintig dagen stappen bereikt een massa van enkele duizenden mensen Dandi. Eenmaal aangekomen in Dandi, zingen ze ‘Raghupati Raghav Raja Ram’ de geliefkoosde hymne van Ghandi. De ochtend daarna plukt Gandhi van het strand een beetje zout dat de golven op het strand hadden achtergelaten. “With this, I am shaking the foundations of the British Empire.” Tijdens de nacht van 4 mei sliep Ghandi onder een mango boom in een klein dorpje nabij Dandi. Even na middernacht werd hij aangehouden door de district Magistraat van Surat. De Magistraat was vergezeld door 2 officieren en 30 zwaar bewapende soldaten… Ghandi is wereldbekend en is de onbetwist leider van de Indiërs. Hij laat zien dat een verzet tegen een koloniale heerser ook met consequent toegepaste geweldloze middelen effectief kan zijn. In een land dat machteloos is, wordt hij een symbool van kracht en zelfbewustzijn. Zeventien jaar na de mars naar Dandi is de onafhankelijkheid van India een feit. Maar dit is geen onverdeelde triomf voor Gandhi. Brits-Indië is in twee stukken gescheurd: de hindoe staat India en de moslimstaat Pakistan. Onlusten tussen hindoes en moslims kosten aan honderdduizenden het leven. Ook aan Gandhi zelf, die vermoord wordt door een fanatieke hindoe. Wereldwijd beschouwt men hem als een groot man, mogelijk ‘de indrukwekkendste persoonlijkheid van de twintigste eeuw’…. ‘The Great Processions’ is de muzikale verklanking van de 24 dagen durende tocht van Sabarmati naar Dandi. In ‘At Dandi’ hoort men de vreugde en de overwinning.

The Wisdom of the Playing Koala’s – Jan Van Landeghem

“The Wisdom of the Playing Koala’s” is een ééndelig werk dat gebaseerd is op het combineren van Gamelantechnieken met evolutieve en contrapuntische schrijfwijzen.Het simultaan gebruiken van Europese – en buiten-Europese concepten dat resulteert in een werk waar klankkleuren en ritmiek één worden in een bijna filmische atmosfeer.

IO – Wim Henderickx

IO is een driedelig werk dat oorspronkelijk gecomponeerd werd voor koperkwintet in 1991 in opdracht van de ‘Belgian Brass Soloists’. Hiervan heeft de componist in 2004 een bewerking gemaakt voor groot koperensemble en slagwerk ook op vraag van Belgian Brass dat toen heropgericht is als een Dixtuor met percussie. De Titel verwijst naar de jupitermaan IO, waar enorme vulkanische explosies plaatsvinden. Het werk heeft een krachtige, energieke sfeer, waarbij alle instrumenten gedreven worden naar hun uiterste mogelijkheden.

Tre Skizze – Jan Van der Roost

Deel 1 (SFERE) is deels op improvisatorische en aleatorische cellen, deels op gekleurde akkoorden gebouwd. Het uitgebreid gebruik van dempers en van diverse speeltechnieken en effecten bij het slagwerk creëren een bijzondere sfeer en illustreren het feeërieke aspect wat met deze instrumentale combinatie kan bereikt worden. Ook de notennamen die in de naam “Belgian Brass” schuilen, worden als melodische bouwsteen gebruikt. FUGATO E CORALE is een stuk virtuozer en dynamischer: gestoeld op een 10-maten schema met constant wisselende metra in het slagwerk wordt een fugatisch thema van hoog naar laag door de koperblazers geëtaleerd. Daarop volgt een koraalmatig gegeven, vooral gepresenteerd door het zgn. “zachte koper”. Een korte cadenza voor de tuba leidt tot een herneming van het fugato, maar dit keer in omgekeerde volgorde: de bas begint en speelt exact hetzelfde wat voorheen bij de sopraanstem te horen was – een soort tessituurmatig spiegelbeeld dus. De koraalmelodie wordt hernomen – in combinatie met melodische en ritmische elementen uit het fugatodeel – en het geheel leidt aldus naar een opzwepende finale. Met een plechtstatig en soms verrassend CANZONA (Ommaggio a Giovanni Gabrieli) wordt uitgebreid hulde gebracht aan de Venetiaanse meester die zo belangrijk is geweest voor de instrumentale muziek in het algemeen en voor de koperblazers in het bijzonder. Dit deel is dan ook gedeeltelijk in een neo-renaissance stijl geschreven, afgewisseld met meer hedendaags klinkende passages waarbij o.m. bitonale klankstructuren het geheel kleuren. De techniek van de “cori spezzati” (meerkorigheid) wordt letterlijk en figuurlijk toegepast: het ensemble wordt inderdaad in groepen opgesplitst welke bij voorkeur op een afstand van elkaar dialogeren en contrasteren. De prachtige San Marco Basiliek wordt aldus op moderne wijze op de Bühne gezet: oud en nieuw worden harmonieus met elkaar verenigd en een stralend en orgelachtig slotakkoord besluit deze contrastrijke kopertrilogie.

1. NIGHT ON THE BALKD MOUNTAIN

2. NUTCRACKER SUITE: MINIATURE OVERTURE

3. NUTCRACKER SUITE: MARCH

4. NUTCRACKER SUITE: ARAB DANCE

5. NUTCRACKER SUITE: CHINESE DANCE

6. NUTCRACKER SUITE: TREPAK

7. NUTCRACKER SUITE: VALSE DES FLEURS

8. JAZZ SUITE N.1: VALSE

9. JAZZ SUITE N.1: POLKA

10. JAZZ SUITE N.1: FOXTROT

11. SUITE FROM LADY MCBETH OF THE MTSENSK DISTRICT: ALLEGRETTO

12. SUITE FROM LADY MCBETH OF THE MTSENSK DISTRICT: ALLEGRO CON BRIO

13. SUITE FROM LADY MCBETH OF THE MTSENSK DISTRICT: ALLEGRETTO II

14. SUITE FROM LADY MCBETH OF THE MTSENSK DISTRICT: PRESTO

15. ROMANTIC OVERTURE

16. THIRD DEAL FROM JEU DE CARTES

Russian Heritage

Samen met Belgian Brass maakt u via deze CD een muzikale reis door het Russische landschap van de 19e en 20e eeuw. Enkele van de mooiste werken van de hand van Ruslands bekendste componisten zullen u ongetwijfeld in vervoering brengen.

Night on the Bald Mountain – Modest Moussorgski – arr. Steven Verhaert

Modest Petrovitsj Moussorgski (1839 – 1881), maakte samen met Balakirev, Borodin, Cui en Rimsky-Korsakov deel uit van het zogenaamde “Machtige Hoopje”, ook wel “de Vijf” genaamd, en behoorde samen met hen tot de belangrijkste Russische componisten van de 19de eeuw. Als zoon van een verarmde grootgrondbezitter volgde hij ondanks zijn passie voor muziek een militaire opleiding, die hem ervan weerhield een degelijke muzikale opleiding te genieten. Zo werden enkele van zijn werken georkestreerd door andere componisten, waaronder zijn befaamde “Schilderijententoonstelling”, bewerkt door Ravel, en ook “Nacht op de kale Berg”, georkestreerd door Rimsky-Korsakov. “Nacht op de kale berg” heette oorspronkelijk “De avond voor Sint-Jan op de kale berg”, en was in eerste instantie gedacht als opera met als centraal idee de heksensabbat. Al snel wilde Moussorgski er een gewoon orkestwerk van maken, waaraan hij uiteindelijk 13 jaar lang werkte. Toch was het werk volgens velen onspeelbaar zoals hij het had gecomponeerd, en werd het ondanks verwoede pogingen van een diep ongelukkige Moussorgski zelfs nooit uitgevoerd. Pas nadat Rimsky-Korsakov het 5 jaar na de dood van de aan een alcoholvergiftiging gestorven Moussorgski opnieuw orkestreerde, werd dit geniale werk rond 1887 voor de eerste keer uitgevoerd.

Nutcracker Suite – Pjotr Iljich Tchaikovski – arr. Steven Verhaert

Pjotr Iljitsj Tchaikovski (1840 – 1893) was een bescheiden en wat introverte man, die ondanks zijn korte leven een productieve componist was ten tijde van de Tsaren Alexander II en III. Tussen 1877 en 1890 bood Gravin Nadesjda Filaretovna von Meck, een groot bewonderaarster van Tchaikovski, hem financi?le steun aan, die hem toeliet zich enkel op het componeren toe te leggen. Om onduidelijke redenen zegde zij ineens haar steun op, waarna hij enkele jaren later aan cholera stierf. Rond de persoon van Tchaikovski bestaan vele controversen, zowel over zijn leven als over zijn dood. Hij vormt echter onmiskenbaar een schakel tussen de West-Europese en de Russische klassieke muziek. Naast zeven symfonieën en enkele opera’s, schreef hij ook een drietal balletten, waarvan de “De Notenkraker”, die in 1892 in premi?re ging in het Mariinsky Theater van St. Petersburg, de bekendste is; wellicht door het verhaal dat zeer tot de verbeelding spreekt. Heer Drosselmeyer is te gast op een kerstfeest en brengt voor alle kinderen geschenken mee. Clara krijgt een notenkraker in de vorm van een soldaat. ‘s Nachts komen alle geschenken tot leven en de notenkraker vecht met de slechte Muizenkoning, waarna hij verandert in een knappe prins. Samen gaan de prins en Clara op een magische reis…

Jazz Suite No.1 – Dmitri Shostakovich – arr. Steven Verhaert

Dmitri Dmitrievich Shostakovich (1906-1975) verwierf reeds op jonge leeftijd de status van stercomponist ten tijde van Lenins bewind. Ook in de eerste jaren van Stalin genoot hij groot respect in het Russische culturele establishment. Zijn opera “Lady Mcbeth of the Mtsensk District” en het conflict dat volgde nadat Stalin in 1936 een voorstelling van deze opera bijwoonde (lees meer hierover bij track 4), betekende echter het einde van zijn absolute artistieke vrijheid en het begin van een repressief beleid dat Shostakovich voor de rest van zijn leven zou tekenen. De “Jazz Suite No.1″ uit 1934 was oorspronkelijk een inzending voor een door de staat uitgeschreven wedstrijd voor jazzcomposities. De muziek op zich heeft echter weinig met echte jazz te maken en heeft eerder betrekking op de lichtvoetigheid van de muziek, dan op de typische jazzkenmerken. Opmerkelijk voor Shostakovich is het gebruik van een saxofoon en een banjo in deze suite, die soms wat lijkt weg te hebben van de muziek van Kurt Weill; iets wat misschien ook niet toevallig is. Shostakovich citeerde immers regelmatig uit werken van andere componisten, onder wie Rossini, Wagner of Mahler. Deze eerste suite is puurder en eenvoudiger dan de tweede, waarvan één van de melodieën gebruikt werd in Stanley Kubrick’s “Eyes Wide Shut”.

Suite from “Lady McBeth of the Mtsensk District” – Dmitri Shostakovich – arr. Steven Verhaert

Dmitri Dmitrievich Shostakovich (1906-1975) (lees meer bij track 3), was een componist met een sterk politiek engagement. Deze opera, op een libretto van Alexander Preis en gebaseerd op een verhaal van Lesvov, vertelt het verhaal van de eenzame en ongelukkig getrouwde vrouw Katarina die verliefd wordt op Sergei, een dienaar van haar man Zinovy, en die deze laatste uit wanhoop vermoordt. In dit maatschappijkritische verhaal, gesitueerd in de 19de eeuw, worden de bestaande traditionele conservatieve en morele waarden in vraag gesteld. Dit zorgt dit voor controverse in de hogere kringen, waar het verhaal “pornografisch, antiklerikaal, boers en provinciaal” wordt genoemd.Toch was het werk een publiekstrekker en vonden er tussen 1934 en 1936 maar liefst 180 uitvoeringen plaats. In 1936 echter, bezocht Stalin een voorstelling die hij met zijn politieke staf al bij de pauze woedend verliet. Stalin, die “Lady McBeth” een anti-Sovjetische culturele misdaad en “geen muziek maar chaos” noemde, verbood verdere uitvoeringen en plaatste Shostakovich op een zwarte lijst. Ook een gesmaakte 5de Symfonie kon de gestoorde relatie niet redden, en betekende het begin van een lange lijdensweg voor Shostakovich. Toch bleef hij intensief componeren, en karakteriseerden cynische, met zwarte humor doorspekte elementen nu zijn muziek.

Romantic Overture – Alexander Tcherepnin – arr. Geert De Vos

Alexander Nikolayevich Tcherepnin (1899 – 1977) verliet Rusland na de Russische Revolutie in 1917 en verbleef een tijd in Frankrijk, alvorens in de Verenigde Staten te belanden, waar hij het Amerikaanse staatsburgerschap verwierf. Niettegenstaande hij uit een muzikale familie stamde (zijn vader Nicolai Tcherepnin was een gerespecteerde componist en dirigent), en een aanzienlijk oeuvre componeerde, geniet hij tot op vandaag slechts een geringe bekendheid als componist. Dit zou te maken kunnen hebben met het feit dat hij het experiment niet schuwde en tal van werken schreef waarin eerder het technische dan het muzikale aspect centraal staat. Zo ontwikkelde hij een eigen 9-tonenreeks die later bekend zou worden als de “Tcherepnin-reeks”. Interessant aan zijn muziek is zeker ook de veelzijdigheid op verschillende gebieden. Zo koos hij enerzijds voor soms ongebruikelijke instrumentencombinaties waaronder zijn “Sonatina voor Pauken en Orkest” opus 58, of zijn “Concerto voor Harmonica en Orkest” opus 86. Anderzijds haalde hij zijn inspiratie bij Perzische, Japanse en Chinese traditionele muziek. De “Romantic Overture” opus 67 uit 1942 waarin associaties met Borodin, Rimsky-Korsakov en Rachmaninoff duidelijk hoorbaar zijn, is een werk dat relatief weinig gespeeld wordt en dus vrij onbekend is.

Third Deal from Jeu de Cartes – Igor Stravinsky – arr. Manu Mellaerts

Igor Fjodorovitsj Stravinsky (1882 -1971), geldt als één van de belangrijkste componisten van de 20ste eeuw. Niet alleen maakte hij een uitgesproken ruime persoonlijke artistieke evolutie door, ook bepaalde hij in belangrijke mate de normen mee van de hedendaagse muziekgeschiedenis. Zijn ontmoeting met Serge Diaghilev, die in Parijs aan het hoofd stond van de “Ballets Russes” was bepalend voor Stravinsky’s leven en werk. De balletmuziek voor “De vuurvogel”, “Petrushka” en “Le Sacre du Printemps” waren immers opdrachten van Diaghilev en bezorgden Stravinsky de status van cult-ster. De culturele revolutie in 1917 alsook het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, brachten Stravinsky ertoe eerst naar Zwitserland te reizen, om zich vervolgens in Parijs te vestigen waar hij na enige tijd ook de Franse nationaliteit verwierf. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, emigreerde hij naar de Verenigde Staten waar hij zijn derde staatsburgerschap verwierf. Veelzijdigheid is waarschijnlijk het belangrijkste kenmerk in zijn werk, zo schreef hij de meest uiteenlopende muziek waarbij hij zich steeds een nieuwe stijl aanmat. De driedelige balletmuziek van “Jeu de Cartes” die in première ging in New York in 1937, is daar een perfect voorbeeld van. Op het einde van zijn leven wendde hij zich tot de dodecafonie, wat wellicht zijn grootste stijlsprong was.

1. CANZON DUODECIMO TONI

2. ORCHESTRAL SUITE N.1: OUVERTURE

3. ORCHESTRAL SUITE N.1: COURANTE

4. ORCHESTRAL SUITE N.1: GAVOTTE I & II

5. ORCHESTRAL SUITE N.1: FORLANE

6. ORCHESTRAL SUITE N.1: MENUET I & II

7. ORCHESTRAL SUITE N.1: BOURREE II

8. LE NOZZE DI FIGARO

9. TRAUERMARSCH AUS GÖTTERDÄMMERUNG

10. COLAS BREUGNON “THE MASTER OF CLAMECY”

11. PAVANE POUR UNE INFANTE DEFUNTE

12. POLOVTIAN DANCES

13. LE CARNAVAL ROMAIN

Pushing the limits

Met een programma dat meer dan vier eeuwen muziek-geschiedenis overspant, Europa van Oost naar West doorkruist, laveert tussen kerkmuziek en opera, en de technische mogelijkheden van de koperinstrumenten tot aan – of voorbij? – de uiterste grens duwt, mag men terecht stellen dat Belgian Brass de daad bij het woord voegt: “pushing the limits”

Canzon duodecimo toni – Giovanni Gabrieli (1558-1613) – Instr. Robert King

Giovanni Gabrieli (1558-1613) is zonder twijfel de belangrijkste vertegenwoordiger van de Venetiaanse muziek op het einde van de 16de en het begin van de 17de eeuw. Sinds hij in de Dogenstad in 1585 zijn neef Andrea opvolgde als componist voor de liturgische diensten in de San-Marcobasiliek, kreeg hij niet alleen de kans om er de meerkorige vocale stijl a cori spezzati (d.w.z. met gesplitste koren: de akoestiek en de specifieke bouw van de basiliek met grote, hoge tribunes liet toe het koor in twee te splitsen en tegenover elkaar op te stellen zodat een heuse dialoog mogelijk werd) verder uit te diepen, maar had hij tevens een uiterst hoogstaand instrumentaal ensemble ter beschikking, waartoe de grootste virtuozen van het ogenblik, zoals de cornettisten Girolamo Dalla Casa en Giovanni Bassano, behoorden. Zijn composities voor San Marco werden gepubliceerd in twee bundels Sacrae Symphoniae; de instrumentale canzonas en sonatas die hierin voorkomen, waren hoogstwaarschijnlijk bedoeld voor de opluistering van de missen en vesperdiensten op de grote feestdagen en vieringen doorheen het liturgisch jaar. Het tienstemmige, dubbelkorige canzon duodecimi toni illustreert duidelijk hoezeer Gabrieli de virtuoze mogelijkheden van zijn ensemble wist uit te buiten.

Orchestral Suite nr.1 (BWV 1066) – J.S. Bach (1685-1750) – arr. Steven Verhaert

Hoewel het zwaartepunt van het oeuvre van Johann Sebastian Bach (1685-1750) in de religieuze muziek ligt, neemt zijn wereldlijke orkestrale muziek niettemin een belangrijke plaats in. Naast het Musikalisches Opfer, de Kunst der Fuge en een groot aantal concerti, componeerde hij tussen ongeveer 1725 en 1741 ook een viertal orchestrale suites voor wisselende bezettingen die allen bestaan uit een ouverture gevolgd door een opeenvolging van dansbewegingen die duidelijk beïnvloed zijn door de Franse stijl. De eerste van deze suites dateert van rond 1725 en heeft een oorspronkelijke bezetting van 2 hobo’s, fagot, strijkers en basso continuo.

Le Nozze di Figaro (KV 492) – W.A. Mozart (1756-1791) – arr. Manu Mellaerts

Sinds Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) in 1781 alle banden met zijn broodheer graaf Colloredo had doorgesneden (en zo de eerste free lance-componist uit de geschiedenis werd!), was hij veel vrijer om zelf te bepalen wat en hoe hij zou componeren. De idealen van vrijheid en menselijkheid die hijzelf onderschreef, vond hij uitgedrukt in het toneelstuk Les Noces de Figaro van de Beaumarchais, waarin de geest van de Franse revolutie doorklonk. Tegen het advies van de censuurcommissie in (de ideeën waren té revolutionair en té modern), maar mét de steun van keizer Ludwig II, componeerde Mozart hierop tussen oktober 1785 en april 1786 zijn opera Le Nozze di Figaro, een meesterwerk dat nog steeds tot de populairste werken van het ganse operarepertoire behoort. De ouverture zet meteen de toon voor de wervelende gebeurtenissen van de folle journée die in de opera beschreven wordt.

Trauermarsch aus Götterdämmerung – Richard Wagner (1813-1883) – arr. Robert King / instr. Manu Mellaerts

Richard Wagners (1813-1883) Der Ring des Nibelungen is ongetwijfeld het meest megalomane project uit de ganse operageschiedenis: vier avondvullende werken, samen goed voor zo’n zestien uur muziek, vertellen het verhaal van de ondergang van de (goden)wereld door de begeerte naar macht. Hét dramatische hoogtepunt van de ganse cyclus situeert zich in Götterdämmerung, het laatste deel van de Ring: het is het moment waarop de macht van het kwaad de jonge held Siegfried, op wie de hoop op een nieuwe wereld rustte, velt. Na zijn dood wordt Siegfried ten grave gedragen met een aangrijpende treurmars, waarin Wagner zijn held aan de hand van verschillende leidmotieven typeert als een heroïsch en dramatisch personage.

Colas Breugnon “The Master of Clamecy” – D. Kabalevski (1904-1987) – arr. Geert De Vos

Dmitry Kabalevsky (1904-1987) verwierf een eerste, beperkte roem met zijn tweede symfonie, maar brak eerst definitief door, zowel in zijn vaderland Rusland als ver daarbuiten, met zijn eerste opera, Colas Breugnon (1938), die hij componeerde op een verhaal van de Fransman Romain Rolland. Stilistisch was Sergey Prokofiev tot op zekere hoogte zijn voorbeeld, maar toch dierf Kabalevsky op armonisch vlak nooit zover gaan als hij, en ook op formeel vlak bleef hij veel conventioneler. Dit sluit echter zeker niet uit dat Colas Breugnon een bruisend werk werd, doortrokken van een Franse geest, met thema’s die vaak een gestileerde volksmuziek benaderen.

Pavane pour une infante défunte – Maurice Ravel (1875-1937) – arr. Manu Mellaerts

Maurice Ravel (1875-1937) staat alom bekend als een geniaal orchestrator, die via zijn orkestpalet een ongekende rijkdom aan kleuren tevoorschijn kan toveren. Hij heeft dit principe met groot succes toegepast op werken van andere componisten – denken we maar aan de Schilderijententoonstelling van Moussorgsky – maar meer nog op eigen pianocomposities. Het bekendste voorbeeld hiervan is zeker de melancholische Pavane pour une infante défunte, een pianowerk uit 1899 dat hijzelf in 1910 orchestreerde. Hoewel Ravel zelf het werk later vrij streng beoordeelde, is het in de orchestrale versie uitgegroeid tot een van zijn beroemdste bladzijden.

Polovtian Dances – Alexander Borodin (1833-1887) – arr. Georges Moreau

Even bekend als Ravel om zijn Pavane is Alexander Borodin (1833-1887) om zijn Polovtsiaanse Dansen. Oorspronkelijk vormden deze dansen een onderdeel van de opera Prins Igor – ze maakten er in het tweede bedrijf deel uit van de dansvoorstelling die de Polovtsiaanse khan aan zijn gevangene, de Russische prins Igor, ter verstooiing aanbiedt -, maar ze werden in orkestrale vorm gecreëerd nog voor de opera uitkwam. Deze virtuoze dansen, die nu eens ruw en dan weer sensueel klinken, illustreren de fascinatie van het 19de eeuwse Rusland voor een muzikaal exotisme.

Le Carnaval Romain – Hector Berlioz (1803-1869) – arr. Manu Mellaerts

Ook Le carnaval romain, de “ouverture caractéristique” van Hector Berlioz (1803-1869), komt uit de operawereld. Berlioz schreef dit symfonische werk in 1844 als een soort tweede ouverture tot zijn opera Benvenuto Cellini. Net zoals hijzelf zei dat deze opera “een verscheidenheid aan idee een energie en exuberatie en een kleurschittering bevat zoals hij misschien nooit meer zou vinden”, zo ook barst deze ouverture van een energie en ideeënrijkdom die haar gelijke niet kent. Was Berlioz in zijn tijd reeds de componist die de technische en coloristische mogelijkheden van het orkest – nog voor Wagner en Ravel ! – tot ver voorbij de toenmalige grenzen duwde, dan blijkt hij ook vandaag nog een rijke inspiratiebron om de technische grenzen steeds verder te verleggen. Quod erat demonstrandum.